Probleem op deze pagina?

Doorlichting van het programma LandbouwOnderzoek

Recentste versie: 4
U ziet versie 4 (Vorige versie)

Het programma Landbouw Onderzoek (LO) werd in 2005 gelanceerd. Het LO-programma richt zich naar toegepast collectief onderzoek voor de land- en tuinbouwsector. Jaarlijks kunnen uitvoerders (universiteiten, hogescholen, praktijkcentra en onderzoekscentra), alleen of in consortium, voorstellen indienen om kennis te ontwikkelen, te bundelen en te vertalen voor bedrijven uit de Vlaamse primaire sector (en distributie en opslag). In totaal werden in de verschillende jaarlijkse oproepen tot nu toe 337 projectvoorstellen ingediend, waarvan er ruim 100 gesteund werden voor een totaal bedrag van bijna €72 mln.

Het IWT heeft onderzoeksbureau Dialogic gevraagd om het portfolio, de werking en de effecten van LO als regeling te onderzoeken.

Onderstaand de belangrijkste resultaten (het volledige rapport in bijlage):

Tuinbouwsectoren en projecten gericht op gewasbescherming hebben een groot aandeel in de portfolio van toegekende projecten.

Universiteiten hebben een toegekend budget van €30 mio, praktijkcentra €21 mio, onderzoekscentra €19 mio en hogescholen €2 mio van het totale budget van €72 miljoen. In een groot deel van de projecten wordt de uitvoering door een consortium gedaan. Samenwerking tussen universiteiten en praktijkcentra komt het meest voor. Complementariteit van kennis en expertise is daarvoor een belangrijke reden. In de meeste gevallen werkten onderzoeksinstellingen voorafgaand aan indiening van een voorstel al samen: de wereld van toegepast onderzoek voor land- en tuinbouw in Vlaanderen is overzichtelijk en uitvoerders weten elkaar te vinden.

Projectvoorstellen worden vaak op initiatief van een kennisinstelling (uitvoerder) opgezet. Sectororganisaties worden regelmatig bij de opzet van een projectvoorstel (als sparring partner) betrokken, maar projecten zijn nog niet overwegend vraaggestuurd. Wel worden voorstellen vaak voorafgaand aan indiening voorgelegd aan cofinanciers; in sommige subsectoren (bijv. groente & fruit, via de veilingen) organiseren cofinanciers zelfs een voorselectieronde.

Zowel uitvoerders als bedrijven uit de gebruikerscommissies zijn erg tevreden met de regeling. Als knelpunt noemen uitvoerders alleen het bij elkaar krijgen van de cofinanciering; dat blijkt toch lastig. In de subsector dierlijke productie lijkt dat probleem groter. Ook universiteit ervaren relatief veel moeite om cofinanciering (= een eis) te garanderen.

De veilingen (plantaardige sector) en toeleverende industrie (dierlijke sector) zijn belangrijke cofinanciers. In gebruikerscommissies is de ketenvertegenwoordiging dan ook goed. Onderzoeksresultaten komen wel, cf. doelstelling van het IWT, prioritair ten goede aan bedrijven uit de primaire sector.

Uitvoerders brengen hun opgedane kennis via allerlei mechanismen over, zowel via vrij praktische mechanismen (vaktijdschriften, workshops voor bedrijven) als meer interactie academische mechanismen (academische tijdschriften en bezoeken van academische conferenties). Maar een belangrijke rol in het valorisatieproces is weggelegd voor sectororganisaties. Zij zijn in staat, via hun deelname in gebruikerscommissies, indirect hun achterban te bereiken. Sectororganisaties kunnen individuele bedrijven ook helpen bij implementatie van resultaten (soms aparte adviseerdienst). Deelname van een sectororganisatie in een gebruikerscommissie is dus een groot voordeel voor uitvoerders.

Het merendeel van de LO-projecten levert resultaten op die al tijdens de uitvoering – of onmiddellijk na afloop van een project – te gebruiken zijn door bedrijven. Meer dan de helft van de bedrijven uit de gebruikerscommissie doet dat op dit moment ook daadwerkelijk. Niet-gebruik heeft voornamelijk te maken met technische problemen: de technologie zou nog niet rijp genoeg zijn, het onderzoek heeft geen toepasbaar eindresultaat opgeleverd of de technologie/procesinnovatie sluit niet aan op de kerncompetenties van het bedrijf. Onderzoeksresultaten van LO worden met name gebruikt voor optimalisatie van bestaande (productie)processen.

Onderzoeksresultaten worden vaker (en sneller) toegepast in projecten gericht op plantaardige sectoren dan in projecten gericht op dierlijke sectoren. Verklaringen uit de interviews: (i) het sterke middenveld (o.a. veilingen) die resultaten verspreiden en via hun netwerken primaire bedrijven betrekken bij LO-onderzoek, (ii) het bestaan van praktijkcentra en proeftuinen die ten eerste ervoor zorgen dat LO-onderzoek toepassingsgericht is en ten tweede dicht bij bedrijven staan en zodoende resultaten breed verspreiden (iii) het meer innovatieve karakter van glastuinbouw en sierteelt (vergeleken met akkerbouw en veeteelt, die toch traditioneler zijn), (iv) capaciteit en beschikbare (financiële) middelen om onderzoeksresultaten verder in de organisatie te implementeren, (v) proefopzetten nemen – bij dierlijke projecten – meer tijd in beslag.

Onderzoeksresultaten worden ook vaker (en sneller) toegepast wanneer: (i) voorstellen eerst zijn voorgelegd aan cofinanciers, (ii) de omvang van projecten toeneemt (in aantal maanden), (iii) projecten verlengd worden (na goedkeuring IWT), (iv) de gebruikerscommissie een afspiegeling is van de doelgroep, (v) de gebruikerscommissie in omvang toeneemt, (vi) deelname aan de gebruikerscommissie aan verwachtingen van bedrijven heeft voldaan (het is ook mogelijk dat bedrijven juist vinden dat deelname aan hun verwachtingen heeft voldaan omdat zij de resultaten al hebben kunnen gebruiken), (vii) de relatieve inbreng in natura hoog is, (viii) projecten heel concrete directe resultaten opleveren (testopstellingen en demonstratieapparatuur), (ix) bedrijven ervaring hebben met deelname aan LOprojecten en andere innovatiesubsidies van het IWT.

De internationale benchmark (Wallonië, Frankrijk, Duitsland, Nederland) leert ons interessante lessen over de inrichting van innovatieinstrumenten voor de land – en tuinbouw. Bijv. over investeringen in netwerkvorming, voorlichting en het (projectoverstijgend) verspreiden van onderzoeksresultaten onder primaire bedrijven.

Meer info: Ferdi Soors, fso@iwt.be

Bijlage : Rapport

Sleutelwoorden