Probleem op deze pagina?

SYNECO: finale data en conclusies

1. INLEIDING

SYNECO (Nieuwe dynamiek in de compostsector dankzij SYNergie tussen groene Energie en kwaliteitsCOmpost) is een optimaliseringsonderzoek dat wil bijdragen tot de mogelijkheid van een intensiever composteringsproces waarbij een nog steeds uitmuntende compost wordt bekomen náást de afzet van biomassa voor opwekking van groene energie. Dit VIS-traject is door het consortium ingediend en werd in 2012 door IWT goedgekeurd. De aanleiding voor het project is de trend die zich de laatste jaren inzette waarbij de gate fees onder druk staan en de stromen van groenafval afnemen doordat andere (vaak illegale) operatoren de houtige fractie van groenafval wegkapen en verkopen aan de biomassa-verbrandingssector. Op deze manier dreigt er onvoldoende structuurmateriaal over te blijven voor de compostering van het fijne groenafval.

 Het SYNECO-project liep tussen november 2012 en november 2014. SYNECO wil via innovatie het (dreigende) omzetverlies een halt toeroepen: door onderzoek naar bijkomende voorvergisting gecombineerd met de afzet van kwaliteitsvolle deelstromen van gft- en groenafval naar energetische valoratie – met behoud van kwaliteitsvolle compost – dient dit onderzoek een veranderingstraject in te zetten voor de composteerders.

In eerste instantie voor de groencomposteerders waarbij groenafval ook een rol moet kunnen spelen in de opwekking van groene energie namelijk door biomassa (voor verbranding) voor of na het composteringsproces te onttrekken alsook eventueel door fijne fracties groenafval te onttrekken voor (voor)vergisting.

2. Massabalansen en sorteeranalyses

  • Vanuit de massabalans 2012 kon al opgemaakt worden dat verschillende composteerders reeds tonnages structuurmateriaal onttrokken aan de compostering namelijk zowel mulch als biomassa, en dit zowel vóór als na de compostering. Zo onder meer 3.600 ton structuurmateriaal vóór opzet compostering, of nog 1,1% (nog niet in sorteeranalyse gedetecteerd) op het inkomend groenafval. Samen met de (p18) reeds berekende gemiddelde jaarinhoud structuurmateriaal van 24% op verse input groenafval geeft dit een totale geraamde jaarverhouding van een kwart structuurmateriaal (25,1%) op het inkomend vers groenafval.

  • Bovenstaande getallen liggen zeer dicht bij het cijfer uit de studie van INVERDE (2012, Houtige biomassa voor energie in Limburg) waar een gemiddelde % ‘houtig materiaal’ van 27% wordt verondersteld in het Vlaams groenafval.

  • Uitgaand van 25,1% structuurmateriaal zou dit betekenen – met als referentie de massabalansen 2012 van de in SYNECO verenigde groep composteerders – dat deze 25% op jaarbasis is verdeeld over enerzijds de 17% (16,85%) puur structuurmateriaal (snoeihout, stronken, wortels) in de input groenafval (bij de 12 onderzochte groencomposteerders) en anderzijds 8,3% structuurmateriaal afkomstig uit de 69% gemengd groenafval input. Of anders verwoord: gemiddeld ca 1/8ste van het inkomend gemengd groenafval is structuurmateriaal.

  • Naast dit structuurmateriaal in de verse input groenafval wordt meestal zeefoverloop gerecirculeerd, in totaal 32.470 ton cfr de massabalansen: herrekend naar totaal tonnage opgezet op jaarbasis inclusief recirculatie zou dit betekenen dat gemiddeld ca 32% van de opgezette hopen bestaat uit structuurmateriaal.

  • Het valt op dat bij 3 composteerders (nr 7, 9, en 12) met laagste jaargemiddelden inzake structuurmateriaal (13% à 19% van de jaarinput exclusief zeefoverloop) ook een behoorlijk % witte en voornamelijk zwarte biomassa werd afgescheiden (8% à 12%). Zeker bij 2 van deze 3 composteerders werd daarenboven een vrij beperkt % recirculerende zeefoverloop (3%) vastgesteld.

  • De combinatie van <20% structuurmateriaal bij aanvang, en relatief veel afscheiding van mulch en biomassa (voor, tijdens en/of na de compostering), én (dus) relatief weinig recirculerende zeefoverloop leidde bij deze 3 composteerders nog tot een degelijke compostkwaliteit (2012-jaargemiddelden inzake DS, rijpheid,..) met weliswaar relatief lagere OS-gehalten (19 à 20,7%). Er wordt berekend dat deze composteerders in de lente- en zomerperiode een composthoop opzetten met minder structuurmateriaal namelijk ca 13 à 18% inclusief zeefoverloop. Dit leidde tot een degelijke compost-kwaliteit in de 2de helft van het jaar (data 2012) met echter af en toe OS-waarden onder de 18% OS-grens (kwaliteitsdoelstelling van Vlaco compost met label) en slechts enkele %-punten boven de 16% OS-norm (FOD). Dergelijk lage aanwezigheid van structuurmateriaal is dus mogelijks problematisch zeker indien een hoge kwaliteit of kwaliteitslabel wordt geambieerd.

  • Composteerders met procentueel nog meer mulch en biomassa afgescheiden, of minder recirculerende zeefoverloop halen soms betere compostresultaten mede-afhankelijk van het hogere startpercentage inzake aanwezig structuurmateriaal. Anderzijds zijn de betere compostresultaten doorgaans geboekt bij composteerders die een combinatie toepassen van tunnel-, tafel- of ril. Een composteerder zoals bvb nr 8 die weliswaar gemiddeld 31% houtig materiaal (in input excl recirculatie) maar hieruit een behoorlijk percentage biomassa (8% wit en 2% zwart) afscheidt, die geen zeefoverloop recirculeert, én composteert op tafel had van alle composteerders de minst goede compostkwaliteit op jaarbasis met een DS van 53 en OS van 16,6%.

  • Vlaco merkt inderdaad dat tafel-composten zeer kwaliteitsvol kunnen zijn maar dat iets vaker zeer goede compostkwaliteit wordt bereikt – in termen van o.a. DS en rijpheid, – indien compostering gebeurt o.b.v. een combinatie van tafel met tunnel of ril. Algemeen lijkt er een positieve relatie tussen enerzijds het toepassen van een relatief kleine korfgrootte en/of het actief beluchten en/of de introductie van rillen en anderzijds de compostkwaliteit en/of beperking van de composteringsduur.

  • Een absolute ondergrens van 20% ‘structuurmateriaal’ (op input inclusief zeefoverloop) lijkt daarom een goede vuistregel zeker als er op louter tafel wordt gecomposteerd.[3] Om een robuuster composteringsproces en een hogere OS in de compost te krijgen, kan een hoger percentage aangewezen[4] zijn.

  • Anders gesteld: 20% structuurmateriaal als gemiddelde minimale aandeel in de compostering t.o.v. ca 32% aanwezig structuurmateriaal (cfr supra) betekent dat gemiddeld ruim 10% van het groenafval op jaarbasis als structuurmateriaal zou kunnen verwijderd worden voor energetische valorisatie. Het valt op dat dit % aansluit bij andere studies van o.a. UHasselt en ECP Beerse-Merksplas.

  • Een interessant composteringsproces (composteerder nr° 6) is dat waarbij een relatief groot % zeefoverloop aan biomassa afgescheiden werd - en (dus) weinig recirculerende zeefoverloop – in een overdekte tafelcompostering mét niettemin een zeer goede compostkwaliteit (2012). Meer bepaald een proces waarbij na enkele weken opslag en 2 à 4 weken compostering een 1ste reeks afzevingen gebeurden van ‘grijze biomassa’ waarbij de tussenfracties als biomassa werden afgevoerd en de bovenfractie (>80mm) onmiddellijk naar het begin recirculeerde terwijl de onderfractie verder op tafels door composteerde. Dit gaf finaal zowel een goede compostkwaliteit als een hoge hoeveelheid biomassa.

I.k.v. SYNECO wordt verder gefocust niet zozeer op de aanwezigheid en impact van ‘structuurmateriaal’ maar, zoals opgegeven in de traject-beschrijving, naar het uitzeven van een bepaalde tussen- of bovenfractie met bepaalde maaswijdte(s) en de impact hiervan op de kwaliteit en kwantiteit van de bekomen compost en biomassa – ook naargelang seizoen en composteerwijze. Reden is o.a. dat ‘structuurmateriaal’ of ‘houtig materiaal’ een te subjectieve maatstaf is t.o.v. een duidelijker meetbare en weegbare maaswijdte & zeefoverloop.

3. Biogaspotentieel fijn groenafval:

Opzet

Deel van de door SYNECO onderzochte piste voor een betere synergie van compostering en energetische valorisatie van groen- en gft-afval is het kijken naar de vergistbaarheid van dit afval. Meer bepaald werd in SYNECO de potentiële biogasopbrengst bepaald van onderfracties groenafval, namelijk de fracties 0-20mm, 0-30mm en 0-40mm die na vlak na verhakseling en dus vóór compostering werden afgescheiden als fijne afzeeffractie. Hiermee doelt Vlaco te kijken naar de mogelijkheid van (deel)vergisting op de eigen of een externe site van het fijne groenafval waarna het digestaat verder wordt gecomposteerd. De noodzaak om biogaspotentieel-tests uit te voeren voor (fracties) gft-afval stelt zich niet vermits voorvergisting van gft reeds bij 2 gft-composteerders succesvol gebeurt. Het is een technisch haalbare en interessante optie met een gekende biogas-opbrengst van – al naar gelang van onder meer natte of droge vergisting – 100 à 120 Nm³/ton vers materiaal. Hier zijn voorts ook al verschillende studies & K/B-analyses[1] gebeurd waardoor dit niet expliciet in SYNECO opgenomen werd.

Methode

Op drie verschillende tijdstippen – om variatie doorheen het jaar/in verschillende seizoenen te kennen – werd bij 6 actief participerende groencomposteerders een staal genomen van de onderfractie van de verhakselde hoop vers groenafval. De stalen werden telkens in tweevoud genomen en afgeleverd aan enerzijds KU Leuven voor de biogaspotentieel-bepaling op dag 25 van een natte, mesofiele vergisting (model van meeste landbouw en industriële vergisters) en anderzijds OWS voor de biogaspotentieel-bepaling op dag 21 van een droge, thermofiele vergisting.

KU Leuven voerde tevens semi-continue tests uit in een pilootreactor (50L) met automatische sturing en voeding meer bepaald een lange duurtest (4 mnd), in welke biogasproductie en –samenstelling en de evolutie van procescondities in de reactor dagelijks werden opgevolgd.

Resultaten

-          Er is geen coherente relatie tussen de (maximale) partikelgrootte van de onderfractie (maaswijdte van de zeef) en het biogasproductie-potentieel

-          Slechts in sommige seizoenen wordt een duidelijke correlatie[2] vastgesteld bij de droge, thermofiele vergisting tussen de ODS en/of C/N-verhouding enerzijds en de biogasproductie anderzijds

-          De gemiddelde (korte duur) biogasopbrengsten (nat en droog) over het jaar liggen tussen de 34 en de 47 Nm³/ton vers met de hoogst mogelijke waarden gelegen rond de 60 Nm³/ton vers.

-          De hoogste biogaspotentiëlen (gemiddeld en aparte score) werden gerealiseerd bij de droge vergisting van de fijne groenafval-stalen genomen in de proefreeks aug-sept (zomer). Hierbij liep de biogasproductie ook in beide proefopstellingen nog door bij stopzetting test. Reden is naar alle waarschijnlijkheid:

  •  de structuur van het dan aangeboden inputmateriaal, namelijk meer fijn vezelig groen materiaal (maaisel) dat zich overigens het best droog thermofiel laat vergisten, alsook,
  •  een grotere aanvoer van groenafval in het algemeen waardoor verwerkingssnelheid hoger ligt en gemiddelde versheid groter is

-          In de andere proefreeksen bleek natte, mesofiele vergisting tot een (iets) hoger biogaspotentieel te leiden.

-          Het biomethaan-gehalte in het biogas schommelde steeds rond de 51 à 55% voor beide type vergistingstesten. Dit ligt in de lijn van de gehalten methaan in biogas uit vergisting van substraten met een aanzienlijk % maaisel[3]. 55% ligt daarentegen gevoelig onder wat voor co-vergisting als een normaal methaan-gehalte in biogas wordt gezien namelijk 60 à 65%.

-          Uit de semi-continue vergistingstests blijkt dat pas na ongeveer 2 maanden continue bijvoeding een maximale biogasproductie van 50 à 60  Nm³/ton vers tot stand komt die verder schommelt rond een gemiddelde van 45 à 50 Nm³/ton vers.In vergelijking met andere courant vergiste reststromen of energiegewassen betekent een onderfractie van verhakseld groenafval dus een beperkt biogas-houdende inputstroom en dit ongeacht de fractiegrootte. Mogelijks bevat deze inputstroom tevens een relatief hoog percentage steentjes, plastiek en metaal die bij compostering vaak bij afzeving en windziften eruit gaan maar bij vergisting optimaliter reeds op voorhand dienen verwijderd voornamelijk i.g.v. natte vergisting. Het afscheiden van deze onderfractie, zeker buiten het maaiseizoen, lijkt – gegeven ook de investeringskosten van een eventuele droge (dure) voorvergistingsinstallatie (in situ) of de transportkosten naar & van een externe vergister – dan ook geen aan te raden piste. Hiervoor dient dus niet alleen naar de biogasopbrengst maar ook naar de verhouding biogasopbrengst/gate fee gekeken te worden: deze is voor bvb gft en maaisel veel hoger dan voor (fijne fractie) groenafval. Veel onderzoeken gebeuren vandaag de dag naar vergisting van maaisel hetgeen op lange termijn een interessantere optie is dan onderfracties groenafval. Voorts werd over deze SYNECO-piste gedebatteerd op de stuurgroep van 28/1/2014: het zelf bouwen van een vergister werd ervaren als een zeer dure keuze t.o.v. de verhouding biogasopbrengst/gate fee[4] waardoor enkel de keuze voor afvoer naar externe vergisters overbleef. Maar ook dit werd niet onmiddellijk als haalbaar beschouwd wegens onvoldoend uitgediept wetgevend kader, onzekere innamebereidheid bij de  (grotendeels natte) vergisters in twijfel werd getrokken, en onduidelijkheid over de rendabiliteit. Er werd dan ook werd besloten deze piste niet verder op te volgen en evenmin een plaats te geven in de uitbouw van de beslissingstool (werkpakket 4).

4. Potentieel inputstromen voor compostering en energetische valorisatie:

Gebaseerd op de eerder beschreven data uit werkpakket 1 (massabalansen, sorteeranalyses en biogaspotentieel) alsook informatie van werkpakket 3 (calorische waarde zeefoverloopfracties) worden enkele scenario’s (10 vs 15% van groenafval naar biomassa-verbranding) gegeven omtrent het potentieel van de inputstromen naar composteringshoeveelheid en energetische valorisatie. Hierbij werd niet ingegaan op fractiegroottes, types biomassa en seizoensvariaties versus het biogaspotentieel[5] of calorische verbrandingswaarde[6] maar werd uitgegaan van een onderbouwde procentuele verdeling van de totale invoerstromen over verschillende opties:

Uit de scenario’s van 15% biomassaverbranding uit groenafval en gft-voorvergisting bij alle gft-composteerders kan dan een totale groene stroom van ca 114 GWel (45,9 + 67,8 GWel) en een groene warmte van ca 205 GWth (119,4 + 85,2 GWth) bereikt worden naast 300.000 ton groen- en gft-compost. Rekening houdend met zelfafname-percentages bij natte (mesofiele) vergisters (groen) en droge (thermofiele) vergisters (gft) kan dit neerkomen op het equivalent elektrisch verbruik van ca 27.000 gezinnen en het equivalent thermisch verbruik van 7.000 gezinnen.

 

5. Rapport 4 & 5 – Experimenteel vs referentieel composteren – ‘witte’ vs ‘zwarte’ biomassa

Deze rapporten worden hier samengebundeld tot 1 rapport vermits het in essentie de resultaten betreft van het ‘normaal’ composteren versus het experimenteel composteren met bepaalde fracties uitgezeefd groenafval: namelijk de invloed op de fysico-chemische eigenschappen (van startmateriaal, compost en biomassa ) alsook de invloed van verschillende behandelingsprocessen (tafel, ril, tunnel, met/zonder beluchting, etc…). Opzet van de werkpakketten was namelijk het bepalen van de nodige omstandigheden om met ‘minder structuurmateriaal’ toch een goede compostkwaliteit te bekomen. Meer bepaald het kennen van de invloed van het initieel uit-zeven van bepaalde boven- of tussenfracties uit het startmateriaal op het composteringsproces alsook de rol van de composteringsvorm op de experimentele compost. Kennis van deze tests en analyses geeft het basismateriaal om besluiten te formuleren voor een optimale synergie tussen kwaliteitscompost en energetische valorisatie. Deze besluiten worden doorvertaald naar een code van goede composteerpraktijk en een kwaliteitsprotocol (rapporten 6 & 7).

Methode

10 groencomposteerders zetten vanaf 2012 experimentele compost-batchen op o.b.v. reeds op voorhand uitgezeefd verhakseld groenafval, náást een gewone referentiebatch. Het afzeven vóór de compostering van het verhakseld groenafval leverde m.a.w. enerzijds een te onderzoeken biomassa-staal op in de vorm van een boven- of tussenfractie (>20mm, >40mm, >60mm, 20-80mm, 30-60mm, 20-100mm, 20-120mm) op – ook ‘witte biomassa’ genoemd – en anderzijds de te composteren restfractie(s). Door dit relatief minder structuurmateriaal bij aanvang ging Vlaco, conform literatuur en ervaringen vroeger en elders (NL), uit van de nood tot een actiever composteringsproces. Een omschakeling van tafel naar ril of een geforceerde beluchting behoorden niet tot de korte termijn-mogelijkheden zodat Vlaco adviseerde een hogere keerfrequentie toe te passen op de experimentele batchen. De referentiebatch leverde steeds de referentiecompost alsook een zeefoverloop – ‘zwarte’ biomassa genoemd – ter vergelijking met de ‘witte’ biomassa.

Op enige uitzonderingen na werd dit opzet bij alle composteerders driemaal uitgevoerd in 2013-2014 om seizoens-effecten op materiaal en proces te onderkennen. Telkens werd een set van fysisco-chemische parameters getest met name op zowel de verschillende startmaterialen, de composten als de biomassa’s. De stalen van de composten en biomassa werden, om logistieke redenen en omwille van vergelijkbaarheid, steeds genomen vlak na de afzeving. Ook werd aan de composteerders gevraagd een vooraf bepaalde set parameters (T, °C, H2O, geur, # keren, etc..) op te volgen voor een vollediger inzicht in de processen.

Conclusies batchperiode 1 (opzet tussen maart en mei 2013)

Niettegenstaande initiële, stelselmatige en grote verschillen in de samenstelling van de uitgangsmaterialen (lente) zijn er haast geen beduidende verschillen in de fysico-chemische samenstelling van de referentie- versus de experimentele compost. En dit ongeacht de composteerwijze en omzetfrequentie. Een hogere omzetfrequentie dan louter maandelijks lijkt aangewezen om het risico op aantal kiemkrachtige zaden te verkleinen en om een hogere compostrijpheid te bereiken. Een hogere keerfrequentie en/of actieve beluchting en/of rillen kunnen het composteringsproces daarenboven aanzienlijk versnellen zonder de compostkwaliteit in gevaar te brengen en dus gemiddeld oppervlaktegebruik verlagen/verwerkingscapaciteit verhogen. Te vaak keren kan echter tot te lage temperaturen of een te snelle temperatuursdaling  leiden, waardoor de hygiënisatie in het gedrang komt. Een keerfrequentie gelegen tússen maandelijks en wekelijks moet het evenwicht bewaren tussen temperatuur, hygiënisatie, en vermijden van inzakking, zeker in geval van het experimenteel composteren met als uitgangsmateriaal groenafval waaruit reeds een boven- of tussenfractie is uitgezeefd als ‘witte biomassa’. Een voldoende diep gemeten (80 à 150 (tafel) cm) temperatuur is belangrijk om adequaat beeld te hebben van de effectieve temperatuurschommelingen aangezien temperatuurinversies mogelijk zijn. Observaties van geur en vocht bevestigen dat een synergie van goede compost en afscheiden van houtige fractie groenafval en/of zeefoverloop mogelijk is, en waarbij de ‘zwarte biomassa’ (zeefoverloop) minstens even goed is als brandstofbron dan de ‘witte biomassa’ (houtige fractie groenafval). Hierbij wijzen eerste analyses van de lentebatch op het voordeel van biomassa-fracties ‘>20mm’ of nog hoger: bovenfracties met lagere ondergrens (bvb 10mm) bevatten doorgaans een lager DS-gehalte en een hoger gehalte alkali-elementen. Bovenfracties met hogere ondergrens (bvb 40mm) bevatten evenwel doorgaans een hoger % onzuiverheden. Ook om deze laatste reden is het aangewezen strenge acceptatienormen te (blijven) hanteren en de biomassa additioneel te zuiveren, bijvoorbeeld met windzifter, om acceptabele (zwarte) biomassa tegen een goede prijs op de markt te brengen.

Conclusies batchperiode 2 (opzet tussen augustus en september 2013)

Het afscheiden van een witte biomassa onder vorm van een boven- of tussenfractie uit het verhakseld groenafval heeft ditmaal geen grote invloed op de waarden van het uitgangsmateriaal. Ook tussen de gewone referentiecompost en de experimentele compost zijn er geen significante verschillen in de fysico-chemische parameterwaarden. En dit ongeacht de composteerwijze en omzetfrequentie. Meest opvallend is de beduidend hogere gemiddelde rijpheid van de experimentele compost hetgeen erop wijst dat de combinatie van ‘fijner’ uitgangsmateriaal en een hogere keerfrequentie een sneller composteringsproces mogelijk maakt. Anderzijds zijn de verse organische stof-waarden gemiddeld laag in deze batch. Wat betreft de biomassa blijkt enerzijds dat de zwarte biomassa opnieuw lagere as-waarden maar ook lagere DS- en calorische waarden heeft dan de witte biomassa en anderzijds dat de beide types biomassa afkomstig uit de zomerbatch energetisch duidelijk minder beloftevol zijn. Ook werd minstens 1 maal de bovenfractie (witte biomassa) >20mm afgekeurd wegens te veel maaisel-inhoud. Op voorhand afgezeefde witte biomassa of zeefoverloop zijn voor verbrandingsdoeleinden dus minder interessant vanuit dit seizoen. Ook bleek reeds dat de C/N van het startmateriaal zeer laag is en dat, zeker indien veel maaisel binnenkomt, extra structuurmateriaal nodig is, bij uitstek in de vorm van toevoeging van zeefoverloop. Aan te raden valt dan om  geen witte biomassa af te zeven in de zomerperiode noch zwarte biomassa (afkomstig van zomeropzet). De lage gemiddelde OS-waarden bevestigen dat het behalen van een hoog kwalitatieve compost of zelfs de FOD-ontheffing in het gedrang kan komen door met te weinig structuurmateriaal te composteren in de zomer. Indien, omwille van aanwezigheid van weinig maaisel en een grote hoeveelheid structuurmateriaal, toch biomassa uit de zomerperiode wordt afgenomen is witte biomassa het meest geschikt en moet gekozen worden voor een niet te kleine fractiegrootte (>40mm of hoger). Het DS-gehalte van de biomassa kan dan verder verhoogd worden door deze te drogen. Strenge acceptatie en/of additioneel zuiveren (bvb windziften) is nodig om de onzuiverheden onder de 1% te krijgen. Indien biomassa wordt afgehouden, is, niettegenstaande de bekommernis om inzakking te vermijden/voldoende zuurstof in hoop te brengen, een te hoge keerfrequentie problematisch voor het behoud van temperatuur nodig voor de hygiënisatie. Zowel bij rillen als bij tafel zien we dat 2x per week respectievelijk wekelijks keren de nodige temperatuurmoeilijk gehaald kan worden. Een rilcompostering met een bovenfractie uitgezeefd en een keerfrequentie van 1x per week i.p.v. 2x per week levert een betere hygiënisatie op. Het voordeel van intensiever composteren is  een potentieel veel kortere looptijd (ca 10 weken[1]) en dus een lager gemiddeld oppervlaktebeslag/hogere capaciteit. Anderzijds zijn ook tafelcomposteringen gevoelig aan neerslag i.g.v. een experimentele composthoop en dient frequenter te worden omgezet (bvb 2-wekelijks) om een mogelijks te hoge vochtigheidsgraad tegen te gaan én het composteringsproces te versnellen. Hier blijkt dan een looptijdverkorting mogelijk tot 20 weken of zelfs 16 weken[2]. Ook de afgedekte rilcompostering met actieve beluchting geeft deze batch weer goede resultaten in termen van vochtcontrole, temperatuur/hygiënisatie, en composteringsduur.

Conclusies batchperiode 3 (opzet tussen december 2013 en maart 2014)

Uitzeven heeft in de winter nauwelijks invloed op het uitgangsmateriaal op een lagere DS-gehalte na, hetgeen een hogere gevoeligheid van fijn materiaal aan de (overvloedige) neerslag bevestigt. De analyseresultaten van het uitgangsmateriaal (o.a. hoge C/N waarden) samen met de resultaten van  de sorteeranalyse (hoog aandeel houtig materiaal in deze periode) geven  aan dat afscheiden van witte en zwarte biomassa in/vanuit deze winteropzet mogelijk is. De verschillen tussen de vooraf ongezeefde en de experimentele compost zijn relatief klein. Niettemin zijn er enkele stelselmatige verschillen (EC, OS, C/N, densiteit) en met name het lage OS-gehalte van de (vooral experimentele ) compost geeft aan dat afscheiden van biomassastromen ook in de winterperiode niet vanzelfsprekend is. Op sommige sites geven de proeven aan dat er potentieel is, maar op verschillende andere sites voldoet de referentiecompost niet aan de kwaliteitsdoelstelling van 18% OS noch aan de norm van 16% (FOD). Zeker daar waar de 16% norm niet wordt gehaald, kan geen sprake zijn van het afscheiden van extra structuurmateriaal. Het experimentele composteringsproces is overigens gevoeliger (inzake vochtgehalte en temperatuurverloop) hetgeen aangeeft dat  een actiever of intensiever compostering met nauwere opvolging nodig is: het vaker keren of een actieve beluchting (al dan niet onder doeken) leveren goede resultaten op én verkort de vereiste composteringsduur. Te frequent keren daarentegen is even problematisch: daar waar de experimentele batch veel frequenter (wekelijks of vaker) werd omgezet dan de referentiebatch, en/of daar waar een tafelhoogte van 4 meter werd aangehouden werden merkelijk lagere temperaturen opgetekend: gemiddeld 13 à 14 °C lager. Een te hoge keerfrequentie dient vermeden vermits bij een keerbeurt de temperatuur veelal kortstondig zakt, soms met een 10-tal graden hetgeen niet alleen de gemiddelde temperatuur beïnvloedt maar ook kan leiden tot een moeizame hygiënisatie. Hierdoor werd niet bij alle experimentele composten de minimale hygiënisatie-vereisten behaald.Witte en zwarte biomassa vanuit deze batch zijn grotendeels aan elkaar gewaagd en zijn o.a. qua as-, alkali- en OS (op ADS) beduidend interessanter dan biomassa uit de zomerbatch en bijna even interessant als deze uit de eerste (vroege lente)batch. Een belangrijke voorwaarde is evenwel (opnieuw) dat de DS wordt gemaximaliseerd door de biomassa niet af te zeven in tijden van/net na veel neerslag periode en/of de biomassa voldoende te laten uitdrogen vooraleer af te zetten naar een biomassa-installatie. Aan te raden valt eveneens om te kiezen voor een niet te kleine fractiegrootte: >20mm voor zwarte biomassa en grotere maaswijdten (>30mm, >40mm,…) voor witte biomassa. Deze keuzes dragen bij tot biomassa met voldoend lage as-gehalten en hogere OS-% en dus stookwaarden. Strenge acceptatie en/of windziften is nodig om de incidentele onzuiverheden onder de 1% te krijgen.

Kenmerken van biomassa afkomstig vanuit GFT-composteersites

Eerder werd inzake gft de mogelijke synergie geïllustreerd tussen gft-compostering en groene energie namelijk door een gft-voorvergisting bij alle gft-composteerders te bepleiten alsook een eventueel gebruik van zeefoverloop van gft-compostering als biomassa. In rapport 3 werd echter het energetisch potentieel van de gft-composteerders berekend uitgaand van louter gft-voorvergisting en niet zozeer van stromen houtig materiaal als biomassa: noch vers groenafval (vermits SYNECO niet kijkt naar vereiste hoeveelheid structuurmateriaal voor (na)compostering gft-afval) noch zeefoverloop (wegens de eerste analyse-resultaten die relatief ongunstige waarden inzake DS, calorische waarde, stikstof en onzuiverheden aangaven).

In wat volgt worden de biomassa-analyses in detail bekeken van stalen gft-zeefoverloop over de drie batchperioden alsook 1 staal snoeihout (groenafval) dat wegens overschot niet strikt noodzakelijk bleek voor toevoeging bij gft-compostering. Alle stalen zijn afkomstig van dezelfde gft-composteerder (2) die mee participeerde in het SYNECO-traject.

-          Zeefoverloop >40mm batchperiode 1 (zwarte biomassa)

-          Zeefoverloop >40mm batchperiode 2 (zwarte biomassa)

-          Zeefoverloop >40mm batchperiode 3 (zwarte biomassa)

-          Zeefoverloop 20-40mm batchperiode 3 (zwarte biomassa)

-          Niet gezeefd snoeihout batchperiode 3 (witte biomassa)

  • gft-zeefoverloop-staal

Bij vergelijking van de biomassa-analyses (gemiddelde over 3 batchperioden heen) van het gft-zeefoverloop-staal (>40mm) versus die van de groencompost zeefoverloop-stalen valt op dat de gft-zeefoverloop op verschillende vlakken niet slecht scoort en soms zelfs enigszins beter: zo zijn de waarden van OS (% op ADS), de as (% op ADS), het restsvocht (% op ADS) gemiddeld beter dan die van de zeefoverloop (zwarte biomassa) vanuit de groencompostering en is de verbrandingswarmte (op ADS) gelijkwaardig. Op andere vlakken echter blijkt de gft-zeefoverloop (beduidend) zwakker te scoren: hogere N (totaal), lagere DS, hogere alkali-elementen K en vooral Na, hoger % onzuiverheden en lagere stookwaarde:

  gft-compostering zeefoverloop t.o.v. groencompostering-zeefoverloop (zwart)
OS (ADS) +
As (ADS) -
N (totaal) ++
DS -
C/N --
K ++
Na ++
restvocht (ADS) --
verbrandingswarmte (ADS) 0
onzuiverheden ++
Stookwaarde (vers) -

Deze vergelijking bevestigt in eerste instantie de assumptie dat zeefoverloop van gft-compostering minder geschikt is als biomassa. Toch is duidelijk uit bvb de waarde voor verbrandingswarmte (op ADS) dat deze zeefoverloop energetisch even geschikt kan zijn als de zeefoverloop uit groencompostering: voorwaarde hiertoe is wel dat op voldoende hoge fractie (>40mm of meer) wordt gezeefd of additioneel wordt gezeefd, dat (mede hierdoor alsook door) droging de vochtigheidsgraad wordt gedrukt en de calorische waarde (vers) wordt verhoogd, dat mede door windziften het gehalte onzuiverheden drastisch wordt verlaagd en dat de nutriëntengehalten (m.n. Na) goed worden gemonitord. Vlaco verwijst hiervoor naar de richtwaarden (rapport 7). Zo niet is aanvaarding van of positieve prijs voor deze biomassa weinig waarschijnlijk.

  •  snoeihout-staal

Conclusies uit de vergelijking van slechts 1 snoeihout-staal van gft-composteerder 2 (met de witte biomassa-stalen  vanuit de groencompostering) is riskant. Bovendien blijken eventuele conclusies sterk af te hangen van het feit of men het snoeihout-staal vergelijkt met de witte biomassa uit dezelfde periode (batchperiode 3) of dat men een gemiddelde van de witte biomassa-eigenschappen over alle batchperioden (3) neemt. In beide gevallen toont het snoeihout-staal echter wel (licht) betere biomassa-eigenschappen inzake OS (ADS), as (ADS en vers), Na, restvocht (ADS), en verbrandingswarmte (ADS). Dit bevestigt alleszins het potentieel van snoeihout zeker als de DS hoog genoeg (gebracht) is.

Enerzijds doet SYNECO hier verder geen uitspraken over vermits niet expliciet werd uitgegaan van overschotten groenafval of snoeihout bij gft-composteerders en het evenmin SYNECO’s ambitie is te bepalen welk % groenafval of snoeihout nodig is voor toevoeging bij gft-compostering[3]. Anderzijds ligt het voor de hand dat overschotten snoeihout of ander specifiek houtig materiaal in groenafval geschikt is voor biomassa-verbranding en wellicht voordelen heeft t.o.v. het onttrekken van witte biomassa door het hakselen van de integrale groenafvalstroom & zeven vóór compostering.

Overzicht overige observaties vanuit compostering (WP3) en interviews (WP4)

Zowel tijdens de regelmatige contacten met de composteerders i.k.v. de proefbatchen (werkpakket 3) als tijdens de interviews (needs-analyse), opbouw van conceptueel model en vervolgbesprekingen van de beslissingstool (werkpakket 4), kwamen veelvuldig observaties en inzichten naar boven die hieronder zo systematisch mogelijk worden opgelijst. Ook de i.k.v. werkpakket 3 additioneel uitgevoerde zevingen op compost komen hier aan bod.  Deze zijn samen met de conclusies uit de andere voorgaande rapporten relevant als basis voor het volgende rapportonderdeel rond de code van goede composteerpraktijk en het vastleggen van een kwaliteitsprotocol voor de eindproducten.

-          Een verkorting van de composteringsduur is mogelijk zowel voor tafel- als voor rilcompostering namelijk door de partikelgrootte te verkleinen en/of intensiever te composteren. Kleinere partikels[4] leiden normaliter al tot een snellere compostering (kleiner aandeel traag afbreekbaar materiaal, groter contactoppervlak, homogenere massa, verbeterde warmte-isolatie) maar moeten in principe ook vaker gekeerd of belucht worden om verschillende risico’s te beheersen, namelijk risico’s van:

  • anaërobie en productie van methaan, vluchtige vetzuren en dus geurklachten,
  • te lage temperaturen, inzakking en gebrekkige hygiënisatie,
  • verlies van koolstof (wegens productie van methaan en vluchtige vetzuren) terwijl net de koolstof in de compost zo hoog mogelijk moet gehouden worden,
  • lagere porositeit en dus grotere vochtgevoeligheid (hetgeen ook minder vochttoediening of zelfs afdekking kan rechtvaardigen)

Om deze redenen geldt trouwens, zoals bij elke compostering, dat een groter omzetfrequentie beter in het begin van de composteringsproces geschiedt i.p.v. naar het einde toe.

-          De SYNECO-batchen leren

  • enerzijds dat er zeer grote verschillen bestaan vandaag inzake composteringsduur – met doorlooptijden die de minimaal vereiste duur voor hygiënisatie[5] ruim overtreffen –, en
  • anderzijdsdat een intensiever composteringsproces kan leiden tot een goede compost op 10 à 15 weken.  In geval van composteerder 12 bleek tussen de intensiever gecomposteerde experimentele batch en de referentiebatch telkens een duurverkorting van 20 à 30% mogelijk. De concrete SYNECO-ervaringen inzake composteringsduur zijn: 
  1. als compostering hoofdzakelijk op rillen verloopt & keerfrequentie ril is wekelijks è composteringsduur van circa 10 weken (exclusief narijping en opslag) mogelijk
  2. als compostering integraal op tafel  verloopt & keerfrequentie is wekelijks à 2-wekelijks  è composteringsduur van respectievelijk circa 15 à 20 weken (exclusief narijping en opslag) mogelijk.
  3. als compostering grotendeels op tafel verloopt, in combinatie met initiële tunnelfase of actieve beluchting (op tafel of ril) & keerfrequentie is maandelijks  è composteringsduur van circa 15 weken (exclusief narijping en opslag) mogelijk. Indien beluchting en doeken (op ril) gecombineerd zijn è composteringsduur van circa 12 weken (exclusief narijping en opslag) mogelijk.

 

-          Zeefoverloop terug gebruiken in een batch om te enten, levert in principe een snellere opstart van compostering maar wordt zeker niet altijd en door alle composteerders toegepast. Deze beslissing wordt mede bepaald door de hoeveelheid en tijdstip van maaisel als input: een maximale hoeveelheid van 30% maaisel wordt door sommigen als richtlijn genomen én moet ook gepaard gaan met toevoegen van zeefoverloop of alleszins structuurmateriaal. Als de composteerder een aanzienlijke input maaisel binnentrekt in de loop van de periode mei-oktober kan dus best zeefoverloop afkomstig van voorafgaande compostering toegevoegd worden bij aanvang van compostering.

-          Anderzijds is het belangrijk zeker ook deze zeefoverloop (zwarte biomassa) i.k.v. SYNECO minstens deels naar groene energie te oriënteren gezien deze zeefoverloop na verloop van tijd sowieso moet worden verwijderd o.a. ook om te grote contaminatierisico’s te beteugelen. Vermits deze zwarte biomassa er per definitie wordt uitgezeefd na de compostering – in tegenstelling tot een optionele zeving van witte biomassa vóór compostering – geeft deze ook een kostbesparing relatief t.o.v. witte biomassa. Tot slot zal de zeefoverloop (zwarte biomassa) een voldoende grote zuiverheid, wellicht door strenge acceptatie én een additionele zuivering, moeten bezitten om steeds de door OVAM gedefinieerde norm[6] te behalen om geen milieuheffing verschuldigd te zijn. Voor witte biomassa geldt altijd het verbrandings-verbod maar kan een tijdelijke afwijking gevraagd worden aan de OVAM.

-          Conform het advies (zie conclusie 2de batchperiode) om in de zomer hetzij geen biomassa klinkt de waarschuwing dat zomerse witte biomassa door de doorgaans grotere gras-inhoud verbrandingsproblemen kan geven door de grotere chloor-inhoud. Hierdoor kunnen de verwarmingsketels aangetast worden. Gras heeft ook een lager smeltpunt dan hout waardoor het materiaal tijdens het branden meer aan elkaar gaat koeken. Na verbranding levert gras meer as op dan hout. Eén tunnel-tafelcomposteerder (nr 9) wilde overigens geen experimentele batchen (louter) <20mm opzetten omdat dit onvoldoende actieve beluchting zou doorlaten. Tafelcomposteerder 10 bevestigde eveneens negatieve ervaringen met tafelcompostering van ‘te compact’ <20mm uitgangsmateriaal. Starten met composteren met <20mm mét een bovenfractie (bvb >100mm)[7] of starten met composteren met <40mm kan hierop antwoorden bieden. Andere composteerders kaartten dan weer het mogelijke risico aan van ‘teveel groen’ (witte biomassa) of teveel vocht in een biomassa-fractie ‘>20’. Indien men in de zomerperiode of in nattere maanden biomassa wenst te onttrekken lijkt een fractie ‘>40mm’ of een droging en/of extra zeving vóór biomassa-verkoop m.a.w. noodzakelijk.

-          Door de reeds vermelde potentieel grotere chloor- en as-gehalten van witte of zwarte biomassa van composteersites kan het zijn dat grotere biomassa-installaties, met state-of-the-art rookgasreiniging, beter uitgerust zijn om deze biomassa mee te verbranden. Relatief grote biomassa-installaties zouden overigens beter geplaatst kunnen zijn om een belangrijk tonnage aan biomassa uit compostering af te nemen en mee te verbranden samen met traditionele inputs (hoog-energetisch houtafval en pellets).

-          De termen ‘zomerperiode’ (mei t/m oktober) versus ‘winterperiode’ (november t/m april) die in de SYNECO-werkpakket 4 wordt gehanteerd, aggregeren grosso modo de volgende subperioden: november-februari (veel blad), februari-mei (veel snoeihout), juni-augustus (opstoot gras), september-oktober (einde maaiseizoen en wat snoeihout). De maanden februari t/m begin mei zijn dus het meest geschikt om biomassa te onttrekken uit het groenafval en de batchen.  

-          Zowel de witte als zwarte biomassa bestudeerd i.k.v. SYNECO kunnen een hogere DS-gehalte/calorische waarde bereiken door droging bvb in overdekte loodsen. Verschillende composteerders en biomassa-handelaars gaven aan dat de neerslag in de laatste weken voor de verkoop zeer bepalend is voor het DS-gehalte en dus de waarde van (compost en) de biomassa. Door plaatsgebrek, door gebrek aan overdekte oppervlakte en/of door de prioriteit van compostering is zulke droging niet evident maar anderzijds kan door een intensiever composteringsproces ook een kortere duur gerealiseerd worden met dus oppervlakte beschikbaar voor het drogen van de biomassa. I.g.v. sneller beschikbare oppervlakte kan uiteraard – indien op korte termijn mogelijk – eerder de voorkeur gegeven worden aan méér input en dus hogere gate fee inkomsten. Andere in de literatuur reeds gehoorde pistes zijn die van de biomassa-verzamelplaatsen die dienen als hub annex drooglocaties[8].

-          Rillen zijn gevoeliger voor temperatuurverlies, zeker bij omzetting, en voor wijziging van vochtigheidsgraad ten gevolge van droogte/neerslag of frequent omkeren. Dit kan aanleiding geven tot bij voorbeeld een relatief vochtige batch met een slechte zeefbalans[9] tot gevolg, of tot bij voorbeeld een niet-gehygiëniseerde compost i.g.v. te vaak keren. Rillen kunnen anderzijds wel aanleiding geven tot een kort composteringsproces van slechts een 10-tal weken. Anderzijds zijn tafelcompostering of combinaties met tafelcompostering rigider inzake vocht- en temperatuurparameters en kunnen ook deze mits beluchting of voldoende keren op ca 15 weken of sneller gecomposteerd worden. Louter op rillen composteren impliceert ook een grotere gemiddelde oppervlaktebezetting[10] en/of kan niet altijd – wegens lopende concessies of afschrijvingen – onmiddellijk worden gerealiseerd. De SYNECO-ervaring lijkt dan zeker niet te wijzen op de noodzaak tot een pure rillencompostering om de gewenste synergie van kwaliteitscompost & groene energie te bereiken maar veeleer op een tafel- met eventueel rilcompostering[11] in combinatie met het gebruik van doeken en/of actieve beluchting en voornamelijk frequenter keren. Om de biomassa voldoende kwaliteitsvol te krijgen is een zuivering bvb windziften aangewezen, naast enige weken drogen.

-          De beschikbare plaats is sowieso een belangrijke parameter: deze beïnvloedt de keuze voor ril- of tafelcompostering, de hoogte van de hoop, de mogelijke omzetfrequentie(verhoging), en de (korte termijn) inputcapaciteit en de mogelijkheid om biomassa te drogen.

-          Voldoende oppervlakte vergemakkelijkt ook aanzienlijk de voorafbewerking waaronder in hoofdzaak de stockage en menging (homogenisering) van het groenafval. In geval van minder structuurmateriaal is een homogene spreiding van de verschillende sub-inputs groenafval[12] overigens nóg belangrijker.

-          Mede afhankelijk van de beschikbaarheid van trommel- en/of sterrenzeven kan besloten worden om af te zeven op 3 fracties en aldus enkel de tussenfractie af te zetten als (witte of zwarte) biomassa. Deze keuze kan geïnspireerd zijn op de door sommige biomassa-installaties gestelde limieten op de bovenmaat van biomassa[13], alsook op de hogere densiteit van een tussenfractie (t.o.v. louter een bovenfractie) waardoor een relatief lagere transportprijs kan gelden voor de biomassa. Daarnaast geeft het afzeven van  3 fracties  ook de mogelijkheid om de bovenste fractie te hanteren als ent-/structuurmateriaal (recirculatie of mede  input naar compostering) of te beschouwen als ‘zuivering’ van de biomassa (tussenfractie).

-          In geval van courante zevingen vóór compostering moet de wiellader en de gebruikte trommel- of sterrenzeven gereinigd worden om contaminatie van de gehygiëniseerde compost te vermijden.

-          Over de 3 SYNECO-batchperiodes heen werden tafels en rillen opgezet gaande van 2 tot 4 meter hoogte. Vaak wisselde de hoogte tevens af doorheen het proces bij dezelfde composteerder wegens combinaties van tafel en/of ril en/of tunnel. 4 meter wordt sowieso als maximumhoogte gezien[14]. Vermits de luchttoevoer, compactatie, vochtigheidsgraad, temperatuur en hygiënisatie niet enkel met hoogte en vorm van de batch samenhangen maar tevens met aspecten van initiële batchsamenstelling, actieve beluchting en keerfrequentie kunnen uit de SYNECO-ervaringen geen zuivere relaties gelegd worden tussen bvb temperatuur en batchhoogte. Niettemin halen de experimentele batchen die niet tot 3,5 of 4 meter hoogte werden gestapeld makkelijker een hoge temperatuur. En behalen ze de hygiënisatie dan ook vlotter.  Als aanbeveling stelt Vlaco dan ook een maximumhoogte van 3 meter.

-          De synergie van compost produceren én biomassa afscheiden voor verbranding tot groene energie biedt alleszins mogelijkheden tot een beter rendement: door een combinatie van enerzijds meer input binnenhalen – door onmiddellijke afvoer van witte biomassa, afvoer van zwarte biomassa i.p.v. recirculatie en/of een sneller composteringsproces – , en anderzijds witte of zwarte biomassa te gelde te maken voor een positieve prijs (al dan niet hoger dan de compostprijs). De tevens hogere kosten die gepaard gaan met bijkomende investeringen of een eventueel frequenter zeven, keren en/of windziften worden in kaart gebracht via de door ILVO gebouwde SYNECO-beslissingstool (werkpakket 4) om de vrije cash flow te maximaliseren.

-          De verhoudingen qua afzeeftonnages, doorheen de verschillende batchperioden en meer bepaald naargelang de gebruikte maaswijdte en naargelang zeving vóór of na compostering, werden bijgehouden en geschematiseerd. Deze percentages verschillen nogal naargelang de composteerder. Bij de zeefbalans i.g.v. voorafzeving van verhakseld groenafval op bvb 20mm zien we dat de bovenfractie (witte biomassa) tot ruim 40% kan uitmaken t.o.v. dus minder dan 60% startmateriaal voor compostering. Dit is ook een argument om een voorafzeving met niet te kleine ondermaat te nemen en/of vooraf te zeven in 3 fractie en de bovenste fractie eveneens aan het startmateriaal toe te voegen (cfr supra). Uit dezelfde bijlage kan afgeleid worden dat de ratio compost/uitgangsmateriaal in een traditionele situatie rond de 50% ligt terwijl dezelfde ratio veeleer rond de 60% ligt indien eerst witte biomassa werd onttrokken aan het (verhakselde) groenafval.

-          Recente ervaringen van composteerders met biomassa leren dat ongeacht de volatiele biomassa-markt een bodemprijs van 3 à 5 €/ton heerst en dat verse houtige fractie soms meer oplevert dan zeefoverloop. Hogere prijzen tot 10€/ton of meer (netto) moeten mogelijk zijn. Hiertoe is een strenge acceptatie (‘proper en vers’) van de groenafval-input, het vaker keren (positieve impact op DS) alsook de biomassa manueel of mechanisch (bvb windzifter) en/of enige weken te laten drogen cruciaal. Deze maatregelen dragen bij aan een betere prijs of minstens aan een vermindering van het risico van afkeuring van de biomassa-partij. Bovendien is de transportkost aanzienlijk en vertaalt m.a.w. een afname op zo kort mogelijke afstand van de composteerder of hub zich in een financieel voordeel.

-          Er werd (tijdens 1ste batchperiode) een extra behandeling uit op de geproduceerde composten door de zeer fijne fractie (0 tot 2mm, vnl. bodemdeeltjes) af te scheiden via zeving en vervolgens verder de verhoudingen van de subfracties 0-0,5mm, 0,5-1mm,1-1,5mm en 1,5-2mm te bepalen. Ook werden de ongezeefde composten op vlak van EC, DS, OS vergelijken met de composten waaruit de 0-0,5mm fractie was verwijderd. Hierdoor werd zoals verwacht een hogere organische stofgehalte (OS) bereikt[15] en m.a.w. een hogere kwaliteit en gebruiks-/economische waarde: details zijn weergegeven in bijlage 7.21. Dit betekent dat men in theorie een compost met lage OS kan opwaarderen door nogmaals te zeven waarbij de overloop een hoogwaardiger bodemverbeteraar oplevert.

Tot slot is het belangrijk te herhalen dat met SYNECO van bij aanvang enkel werd gekeken naar witte biomassa als zijnde de integrale groenafvalstroom verhakseld en gezeefd (boven- of tussenfractie). Er werd dus niet gekeken noch getest/geanalyseerd op het uitlichten van substromen groenafval zoals stronken, wortels en snoeihout. In praktijk kunnen deze uiteraard wél apart worden verhakseld om tegen nog betere prijzen als biomassa te worden verkocht[16]. Vermits zeven als één van de grootste kosten van compostering werd aangegeven, is het uitsparen op zeefuren mogelijks belangrijk in verdere optimalisaties van de synergie tussen kwaliteitscompost en groene energie. Of nog, verhakselen van bepaalde houtige groenafval-substromen (zónder zeving) voor afvoer als witte biomassa enerzijds en de verhakseling van de rest van de inputstromen met louter afzeving ná compostering (zwarte biomassa) anderzijds is een plausibele optie om kwaliteit en rendement nog meer te optimaliseren. Evenzeer kan in die optiek gras/maaisel (indien voldoende vers (ingekuild) én zuiver) naar een  vergisting met nacompostering worden gevoerd[17]. Deze aparte behandeling van substromen komt echter niet overeen met de definiëring van het SYNECO-opzet en vormt mogelijks een onderwerp van andere en/of toekomstige studies.

6. Beslissingsondersteunende tool (WP4)

De effectieve overstap naar een intensievere compostering met minder structuurmateriaal heeft, rekening houdend met de aanbevelingen in dit rapport[1], een impact op de kosten en baten. Niet in het minst als een additionele investering, bvb een additionele zeef, aangewezen zou blijken om de hoogst renderende synergie tussen kwalitatieve compost en biomassa te bereiken. Werkpakket 4 stelde zich tot doel om voor de groencomposteerders een tool te ontwikkelen en ter beschikking te stellen om de ideale keuzen te maken inzake investeringen en biomassa-afzet met het oog op een maximale cashflow. Deze simulatie kwam stapsgewijze tot stand op basis van de volgende stappen:

-          Needs’ analyse:  overeenstemming bereiken over gewenste output van de tool (welke zijn de beslissingsvariabelen die de economische prestaties van composteerbedrijven bepalen? Welke bedrijfsspecifieke aspecten (productiviteit, behaalde prijzen, investeringskosten etc.) moeten meegenomen worden bij de bedrijfseconomische optimalisatie? Welke parameters zijn volatiel (bijv. prijzen) en moeten bijgevolg op een flexibele manier aan te passen zijn door de gebruiker,..)

-          Opbouw, validatie en verificatie van een beslissingsondersteunend systeem: op basis van vorige taak werd prototype van het beslissingsondersteunend systeem ontwikkeld (Excel/Gams) en iteratief getest o.a. door beperkte groep composteerders.

-          Implementatie: de gevalideerde en geverifieerde tool wordt aanvankelijk geïmplementeerd bij 10 composteerbedrijven. Na evaluatie en eventuele aanpassing volgt de ter beschikking stelling aan de andere bedrijven.

De needs-analyse leidde tot een afbakening van de cash-flow en de vaste en variabele parameters ervan in de beslissingstool.

Finaal kwam na intensieve tests door 3 composteerders en Vlaco en na inspraakmogelijkheid van de overige composteerders in de gebruikersgroep de beslissingstool online ter beschikking: www.remiweb.be.

Een uitgebreide handleiding werd tevens opgesteld om de gebruikers te leiden door de opbouw en uitvoering van het instrument zodat de composteerder zijn bedrijfsspecifieke ‘vrije cashflow’ kan optimaliseren samen met de bijbehorende hoeveelheden verwerkt groenafval, geproduceerde compost en geproduceerde biomassa. De optimalisatie gebeurt op basis van een aantal bedrijfsspecifieke parameters, zoals het beschikbare vloeroppervlak, de capaciteit van de aanwezige machines, de composteringsduur en de ontvangen prijzen (gate fee, prijs compost, prijs biomassa). 

7. Code van goede composteerpraktijk en kwaliteitsprotocol

De ‘code van goede praktijk voor het composteren met minder structuurmateriaal’ en het ‘kwaliteitsprotocol voor de producten (compost en biomassa)’ vloeien beiden voort uit de inzichten en conclusies van alle werkpakketten 1 t/m 4 en de voorgaande rapporten inzake de massabalans, sorteeranalyses, vergistbaarheid fijne fractie groenafval, en de vergelijkingen tussen de experimentele versus de referentie compost-batchen alsook tussen witte en zwarte biomassa. De oplijsting van de uit het SYNECO-traject weerhouden kern-leerpunten inzake een optimale compostering én biomassa-valorisatie vindt u in het eindrapport[1] .

 



 
09/12/2014 13:52 Christophe Boogaerts Rubriek: Publicaties, Rapporten
Share this on

Comment_add Reageer