Probleem op deze pagina?

SYNECO: midterm data en eerste conclusies

Na het 4de gebruikersgroep-overleg (28/1/2014) vallen volgende stand van zaken en eerste conclusies op te tekenen - chronologisch behandeld volgens de 4 werkpakketten van het IWT-VIS traject SYNECO (SYNergie tussen groene Energie en kwalitatief hoogstaande COmpost):

WP1: a. Conclusies uit massabalansen 2012 en sorteeranalyses (2012-2013) bij de SYNECO-participanten

- Alle 3 de sorteeranalyses zijn uitgevoerd: dec’12/feb’13 (winter) – april’13 (lente) – aug/sept’13 (zomer). De sorteeranalyse bestond telkens uit het fysisch scheiden van de inhoud van een representatieve schep (van wiellader) uit vers (onverhakseld) groenafval bestemd voor opzet. De scheiding gebeurde in enerzijds ‘zacht materiaal’ (gras, maaisel, bladeren, fijn-groen haagscheersel) en anderzijds structuurmateriaal’ (takjes, snoeihout, wortels, stronken). Hierna volgde een weging op basis waarvan een gewichtstonnage werd vastgesteld. Waar nodig – i.g.v. apart gehouden hopen bvb maaisel of stronken eveneens bestemd voor compostering – werd mathematisch een correctie op de sorteeranalyse uitgevoerd (cfr massabalans-verhoudingen (2012)).

  • ·       Het (ongewogen) gemiddelde % structuurmateriaal over de 3 gemeten periodes zakt van 56% nr 22% nr 15%, hetgeen vervolgens een (ongewogen) jaargemiddelde van 30,7% aan structuurmateriaal zou betekenen. Bij gewogen gemiddelden is de reeks vrij gelijkaardig, 53,5% nr 20,5% nr 15,5%, of een gewogen jaargemiddelde van 29,5%.
  • ·       Vanuit de massabalans 2012 kon al opgemaakt worden dat verschillende composteerders reeds tonnages structuurmateriaal onttrokken aan de compostering namelijk zowel mulch als biomassa, en dit zowel vóór als na de compostering. Zo ondermeer 3.600 ton structuurmateriaal vóór opzet compostering, of nog 1,1% (nog niet in sorteeranalyse gedetecteerd) op het inkomend groenafval. Of nog, ca 31% structuurmateriaal op inkomend groenafval.
  • ·       Bovenstaande getallen liggen niet ver af van het cijfer uit de studie van INVERDE (2012, Houtige biomassa voor energie in Limburg) waar een gemiddelde % ‘houtig materiaal’ van 27% wordt verondersteld in het Vlaams groenafval.
  • ·       Uitgaand van 31% structuurmateriaal zou dit betekenen – met als referentie de massabalansen 2012 van de in SYNECO verenigde groep composteerders – dat deze 31% op jaarbasis is verdeeld over enerzijds de 17% puur structuurmateriaal (snoeihout, stronken, wortels) in de input groenafval (bij de 12 onderzochte groencomposteerders) en anderzijds 14% structuurmateriaal afkomstig uit de 69% gemengd groenafval input. Of nog, gemiddeld ca 1/5de van het inkomend gemengd groenafval is structuurmateriaal.
  • ·       Naast het structuurmateriaal in de verse input groenafval wordt zeefoverloop al dan niet toegevoegd vlak voor verhakseling en opzet: herrekend naar totaal tonnage opgezet op jaarbasis zou dit betekenen dat gemiddeld ca 37% van de opgezette hopen bestaat uit structuurmateriaal.

- Het valt op dat bij 3 composteerders met de laagste jaargemiddelden inzake structuurmateriaal (15 à 21% exclusief zeefoverloop) toch een degelijke compostkwaliteit werd bekomen (2012-gemiddelden inzake DS, rijpheid,..) met weliswaar relatief lagere OS-gehalten (19 à 20,7%). Er wordt berekend dat deze composteerders in de lente- en zomerperiode een composthoop opzetten met minder structuurmateriaal namelijk ca 15 à 20% inclusief zeefoverloop. Dit leidde tot een degelijke compost-kwaliteit in de 2de helft van het jaar (data 2012) met echter af en toe OS-waarden onder de 18% OS-grens (kwaliteitslabel) en slechts enkele %-punten boven de 16% OS-grens (FOD). Dergelijk lage aanwezigheid van structuurmateriaal is dus mogelijks problematisch.

- I.k.v. SYNECO wordt verder gefocust niet zozeer op de aanwezigheid en impact van structuurmateriaal maar naar het uitzeven van een bepaalde tussen- of bovenfractie met bepaalde maaswijdte(s) en de impact hiervan op de kwaliteit en kwantiteit van de bekomen compost en biomassa – ook naargelang seizoen en composteerwijze. Reden is o.a. dat ‘structuurmateriaal’ of ‘houtig materiaal’ een te subjectieve maatstaf is t.o.v. een duidelijker meetbare en weegbare maaswijdte & zeefoverloop. Op basis van de massabalansen van de participerende composteerders en de historische compostkwaliteit-data (2012) kunnen we al enige kaderende observaties maken:

  • ·       Er is geen rechtlijnige relatie tussen tonnage uitgezeefd materiaal voor-tijdens-na compostering enerzijds en de uiteindelijke compostkwaliteit. Zo werd bvb bij 1 composteerder in 2012 tot 22% (ton/ton totaalinput) op jaarbasis eruit gehaald als biomassa (nr verbranding) – met slechts 1,5% van de totaalinput bestaand uit recirculerende zeefoverloop – mét een zeer goede gemiddelde compostkwaliteit (hoge DS en OS). De uitgezeefde biomassa was weliswaar ‘grijze biomassa’ m.a.w. materiaal dat al enige weken mee dienst deed in het composteringsproces en in 2 verschillende stappen werd uitgezeefd nog vóór finale afzeving.
  • ·       Verder merken we op dat tafel-composten zeer kwaliteitsvol kunnen zijn maar dat iets vaker zeer goede compostkwaliteit wordt bereikt – in termen van o.a. DS, rijpheid, en fytotoxiciteit – indien compostering gebeurt o.b.v. een combinatie van tafel met tunnel of ril. Algemeen lijkt ook het toepassen van een relatief kleine korfgrootte en/of het actief beluchten en/of de introductie van rillen de compostkwaliteit ten goede te komen.

WP1: b. Conclusies uit eerste 2 biogaspotentieeltests op kleine fracties groenafval

- Verschillen in gehanteerde methode tussen labo OWS (droge, thermofiele vergisting) en labo KUL (nat, mesofiel) werd waar wenselijk gelijkgestemd meer bepaald werd idem voorbehandeling van het monster toegepast: kwarteren. Enten bleef verschillend namelijk verhouding 10:1 (inoculum:substraat) bij OWS (inoculum uit full-scale droge vergister) terwijl bij KUL ditmaal een verhouding 2:1 (i.p.v. een 1:1) werd toegepast met een inoculum uit een RWZI-installatie. Mogelijks om redenen van heterogeniteit van stalen en/of niet-optimale tussentijdse bewaring waren er in termen van gemeten waarden OS, DS en C/N toch nog opmerkelijke verschillen. Om het uiteindelijke biogaspotentieel Nm³/ton ODS te berekenen werd daarom uitgegaan van één zelfde reeks OS en DS-metingen (ILVO). Qua testduur verschilde ook opnieuw de gehanteerde vergistingstermijn: 21dd voor de droge vergisting tegenover 25dd voor natte vergisting (evenwel grafieken van biogascumulatie optekenend tot dag 30). In tegenstelling tot de resultaten van batch 1 liep nu ook bij de droge, thermofiele vergisting de biogasaccumulatie nog duidelijk verder ook na dag 21.

  • ·       Er is géén duidelijk verband tussen de exacte onderfractiemaat (0-15, 0-20 of 0-40mm) van het groenafval enerzijds en de organische droge stof (ODS)-waarden & het biogaspotentieel anderzijds. Bij eerste batch (lente) leek er enigszins een verband hogere fracties – hogere ODS & biogaspotentieel maar niet significant. Deze lentebatch had gemiddeld over alle fractiematen heen een biogasopbrengst van 37,5 Nm³/ton vers t.o.v. 47,15 Nm³/ton vers in batch 2 (zomer). Dit komt door minder vaak een lage waarde in batch 2 waar bovendien de droge vergisting iets beter scoort dan de natte vergisting. In batch 1 scoorde natte vergisting net iets beter. Maximaal biogaspotentieel – ongeacht vergistingsmethode, ongeacht kleinere of grotere onderfractie, én ongeacht batch 1 of 2 – is ca 60 Nm³/ton vers. Hierbij is gemiddelde methaangehalte op het biogas in de batchen 1 en 2 steeds ca 55,5%.
  • ·       OWS, bijgetreden door KUL, stelt dat niet zozeer de fractiegrootte (en C/N-waarde) m.a.w. een bepalende factor is qua biogaspotentieel-verschillen maar veeleer de specifieke samenstelling. De beste stalen zijn de stalen zonder veel houtig materiaal en veel fijnvezelig materiaal. Belangrijk is m.a.w hoe groot het aandeel fijn groen afval er zit in het aangeboden vergistingsmateriaal. Versheid en ook seizoen bepalen dus mee het resultaat hetgeen wellicht het hogere gemiddelde potentieel van de zomerbatch (aug/sept) verklaart t.o.v de lentebatch (april, nog voor eerste piek maaiseizoen). In de winter (batch 3) zal het biogaspotentieel aannemelijkerwijze dus lager zijn dan de huidig geanalyseerde batch-stalen.
  • ·       Verhakselde onderfracties groenafval lijken dus ongeacht fractiegrootte, seizoen en vergistingsmethode beperkt interessant vanuit het standpunt van de potentiële biogasopbrengst.

WP2: a. Opzet van referentiebatch (REF) versus experimentele batch (EXP) & onderzoek van invloed van uitzeving (boven- of tussenfractie) op het uitgangsmateriaal voor compostering

- In navolging van de eerste batch werd ook nu de invloed getest van ‘witte biomassa’ onttrekken (lees: experimenteel uitgangsmateriaal t.o.v. normale, niet gezeefde, uitgangsmateriaal) op o.a. de parameters DS, OS, C/N, as-gehalte, densiteit, stikstof en andere nutriënten. Onderstaande tabel geeft bondig overzicht van de geobserveerde verschillen in de lente en de geobserveerde verschillen in de zomer:

 

EXP start lente (tov REF uitgangsmateriaal)

EXP start zomer (tov REF uitgangsmateriaal)

DS

0

0

OS

-

0

N

0

0

C/N

-

0

As

+

0

densiteit

+

0

andere nutr.

+

0

- Biodegradatiepotentieel ((hemi)cellulose/lignine) van het experimentele uitgangsmateriaal was in de lente minder hoog dan het referentie uitgangsmateriaal.

- Om de invloed van het seizoen op het uitgangsmateriaal (ongezeefd) te kennen, vergelijk ILVO ook de data van het referentiemateriaal in lente (april) met dat van de zomer (aug/sept)-batch.

Conclusie: het referentie uitgangsmateriaal in de zomer kent:

  • ·      Significant hogere waarden voor as (op DS) en nutriënten (op hetzij DS of VS)
  • ·      Significant lagere waarden voor C/N, DS en OS (op vers en DS)

Of nog,

  • ·       hogere as- en nutriëntgehalten in groenafval in zomer t.o.v. lente & uitzeven van witte biomassa in de zomer verhoogt verder deze waarden niet significant (in tegenstelling tot in lente),
  • ·       lagere OS- en C/N-waarden in groenafval in zomer t.o.v. lente & uitzeven van witte biomassa in de zomer verlaagt verder deze waarden niet significant (in tegenstelling tot in lente),

WP2: b. Verschillen inzake verloop compostering van referentie uitgangsmateriaal vs experimenteel uitgangsmateriaal – (batch 1)

  • ·       Referentiebatch en experimentele batch werden meestal even frekwent gekeerd niettegenstaande het initiële Vlaco-advies om een hogere keerfrekwentie toe te passen bij de experimentele batch. Anderzijds is de temperatuur, de hygiënisatie, het vochtgehalte, de geur, etc meestal niet substantieel verschillend tussen beide hopen. Er is zelfs een lagere temperatuur geobserveerd bij 2 composteerders waar duidelijke keerfrekwentie-verhoging is, namelijk frekwentie 15 maal naar 26 maal (totaal) en maandelijks naar wekelijks. Conclusie hieruit lijkt te zijn dat algemeen genomen een keerfrekwentie-verhoging voor een in de lente opgezette experimentele batch niet strikt noodzakelijk is, en dat een te grote frekwentie mogelijks mede-oorzaak is van te lage temperaturen in de experimentele hoop. Niettemin is een verhoging van de keerfrekwentie (zie ook observaties kwaliteit compost in werkpakket 3) mogelijks noodzakelijk – zie bvb inzakking bij 1 composteerder in de tafel en ril in de lente-batch. Dit was meer bepaald een experimentele batch bestaand uit <30mm groenafval. Dit zou natuurlijk tevens kunnen wijzen op een voorbehoud voor het opzetten in de lente (en zomer?) van een composthoop met louter een onderfractie kleiner dan of gelijk aan 30mm.
  • ·       Hygiënisatie was beduidend moeilijker bij 1 experimentele batch. Daarentegen was er ook 1 referentiebatch die niet voldeed aan de Vlaco-hygiënisatievereisten daar waar de experimentele batch wél gehygiëniseerd was.
  • ·       Geur en vocht waren telkens goed doorheen experimentele en referentiebatch.
  • ·       Verder zou kunnen gepleit worden voor een verkorting van de experimentele compostering: één composteerder verkortte namelijk het proces tussen de referentie- en de experimentele batchcompostering met 9 weken (25 naar 16 wkn) mét goede kwaliteit van de experimentele compost. De aanwezige composteerders zagen in theorie geen belet in het pogen de duur te verkorten voor een experimentele batch bij de 3de proefbatch. Dit kan mogelijks bevestigen of in het algemeen een kortere composteringsduur voor een experimentele batch tot de mogelijkheden behoort.
  • ·       Tot slot wordt gewezen op het belang van de temperatuur op te meten op voldoende diepte in de hoop. Bij de composteerders werd de sonde gepositioneerd op ca 30cm, ca 90 cm en/of ca 150cm en hierbij werd bij minstens 1 composteerder gemerkt dat de temperatuur van de experimentele batch op 150 cm diepte lager was dan de temperatuur op 30 cm diepte, hetgeen bij een gewone referentiebatch normaliter andersom is. Dit pleit voor een dubbele of minstens een voldoend diep opgenomen temperatuur.

WP3: a. Kwaliteit referentiecompost t.o.v. kwaliteit experimentele compost – (batch 1)

Op een eerste zicht is er weinig verschil tussen beide composten hetgeen al vrij verrassend is. Nauwer onderzoek tussen de referentiecomposten en de experimentele composten van batchperiode 1 (opzet lente) leert dat alle resultaten tesamen beschouwd:

  • ·       er geen statistisch verschil is inzake DS
  • ·       er geen statistisch verschil is inzake OS (op vers en op DS) maar dat weliswaar soms een lage OS-waarde (16%<x<17% OS op vers) tevoorschijn komt bij een experimentele compost hetgeen mogelijks het behalen of behouden van een kwaliteitslabel kan hypothekeren. Het oorzakelijk verband hier met bijvoorbeeld de specifieke opzetfractie bij aanvang is niet duidelijk
  • ·       er geen statistisch verschil is inzake C/N
  • ·       er geen statistisch verschil is inzake de pH. Deze is overigens altijd binnen de marge 6,5-9,5 voor experimentele compost terwijl 2 maal een referentiecompost werd geanalyseerd met pH-waarden onder 6,5 (6,2 en 5,79)
  • ·       er soms duidelijk hogere ammonium (NH4)-waarden zijn bij de experimentele compost  maar er statistisch geen verschil is
  • ·       er geen statistisch verschil is inzake EC
  • ·       er geen statistisch verschil is inzake nutriënten of mineralen
  • ·       er geen statistisch verschil is inzake oxytop (OUR)
  • ·       er geen statistisch verschil is inzake N-immobilisatie (door moment van staalname – vóór narijping is er idd N-immobilisatie en geen N-mineralisatie). Dit toont alleszins de gelijkwaardigheid van de beide composten aan, én benadrukt bovendien het belang van nog een voldoende narijping.
  • ·       bij drie composteerders was de waarde ‘kiemkrachtige zaden (aantal/l)’ gelijk aan 1 (i.p.v. 0): eenmaal enkel in de referentiecompost en niet in de experimentele compost die frekwenter (wekelijks) was gekeerd; eenmaal in zowel referentiecompost als experimentele compost die beiden maandelijks waren gekeerd; en een laatste maal in de experimentele compost die maandelijks was gekeerd (hier geen ‘referentiecompost’ geproduceerd overigens). De implicatie dat vaker dan louter maandelijks keren een positieve invloed heeft op de fytotoxiciteit van de compost, zal worden geverifieerd in batchperiodes 2 en 3.

- ILVO voerde verder een labo-test uit naar verdere fijne uitzeving van de composten uit batch 1 (opgezet in lente). Onderdeel van de SYNECO-betrachting is namelijk kijken of compost kan opgewaardeerd worden door de zeer fijne fractie (0 tot 3 mm die vnl. uit bodemdeeltjes bestaat) af te scheiden via zeving. Door deze afzeving verwachten we een compost te produceren met een hoger organische stofgehalte, en dus een hogere kwaliteit en gebruikswaarde, en dus ook een hogere economische waarde:

  • ·       Het uitzeven van de fijne fractie heeft een significant effect op de EC van de compost
  • ·       Het uitzeven van de fijne fractie heeft een significant effect op de OS en DS van de compost. Door het uitzeven van de fijne fractie stijgt OS/DS van gemiddeld 32% naar gemiddeld 43.5%. DS daalt van gemiddeld 69 naar 63%.
  • ·       Zeer sterke correlatie tussen DS van de compost en fijne zeeffractie: hoe droger, hoe meer fijn materiaal er uit gezeefd kan worden.
  • ·       Redelijk sterke correlatie tussen OS na zeven en % fijne fractie met 1 duidelijke uitzondering
  • ·       Datasets moeten nog aangevuld worden

Overige opmerkingen/observaties van composteerders

gevraagd naar de ervaringen van composteerders met de experimentele (EXP) batchen werd:

  • ·       op het overleg van september 2013 door 1 composteerder een verschil in kleur aangehaald, alsook een beperkte mogelijkheid om vaker te keren (door wind of plaatsgebrek). Ook was opgemerkt dat de lente-opzet (<30mm experimentele opzet met tafel & ril) bij 1 composteerder leidde tot de inzakking van de composthoop (tafel en ril) en te lage temperaturen.
  • ·       op het overleg van januari 2014 gemeld dat

 

  • ·    bij 1 composteerder de >20mm witte biomassa niet goed bevonden was door de biomassa-handelaar (zomer batch 2) en dat anderzijds het <20mm experimentele uitgangsmateriaal uiteindelijk niet was opgezet ter compostering uit vrees van te fijn materiaal dat bij gebrek aan mogelijkheid tot vaker keren (dan maandelijks) slecht zou composteren.
  • ·    bij een andere composteerder had de biomassa-handelaar een eerste maal (batch 1) een sterke voorkeur uitgesproken voor witte biomassa >80mm t.o.v. de witte biomassa met fractie 20-80mm, daar waar bij de opzet van batch 2 in de zomer de witte biomassa met fractie >40mm ook positief werd onthaald onder meer omwille van laag asgehalte (‘Asgehalte < 10% …. is vrij goed voor dit type van materiaal’). Deze zelfde instantie had reeds eerder verklaard dat het ‘Vochtgehalte (en dus calorische waarde) in rechtstreeks verband (staat) met neerslag vlak voor/bij ophaling’.
  • ·    een derde composteerder meldde al dat bij batch 2 de experimentele opzet (zomer-opzet meer bepaald <20mm+>100mm) leidde tot lagere temperaturen die overigens lager bleken dan soortgelijke experimentele opzet in de lente (batch 1). In beide gevallen werd de experimentele batch ca wekelijks gekeerd. Nota bene: enige dagen nadien meldde men ook relatief lage buitentemperaturen na ongeveer een week opzet experimentele batch 3 (winter). De combinatie van tafelcomposteren (4 m hoogte) van een experimentele opzet -20mm&+100mm met wekelijks keren lijkt dus bij deze composteerder tot beduidend lagere temperaturen te leiden. Nota bene: Tot nu toe blijkt echter uit de vergelijking van de uitgangsmaterialen (lente-batch en zomer-batch) en de vergelijking van de uiteindelijke compostkwaliteiten (lente-batch) géén negatieve invloed.

WP3: b. Kwaliteiten witte biomassa in batch 1 (lente) en in batch 2 (zomer)

  • ·     · Er is géén duidelijke lineaire relatie tussen de specifieke maaswijdte gehanteerd bij het voorafzeven en de DS of OS van de witte biomassa. Lagere asgehalten (vers) lijken wel gerelateerd met hogere maaswijdte: zo hebben alle witte biomassa’s in batch 1 (lente) bekomen met zeef >40mm of meer een asgehalte <7%. Bij batch 2 zijn dergelijke witte biomassa-fracties gekenmerkt door een asgehalte <9% - op één uitzondering na die net het hoogste asgehalte vertoont (19%). Gemiddelden voor witte biomassa in lente zijn: 64,7% DS (op vers), 56,6% OS (op vers) en 8,1% as (op vers). Gemiddelden voor witte biomassa in zomer zijn: 58,7% DS (op vers), 46,7% OS (op vers) en 12,1% as (op vers).
  • ·     · Witte biomassa uitzeven uit verhakseld opgezet groenafval lijkt in lente dus in termen van OS en DS (op vers) een beter idee dan witte biomassa uitzeven in de zomer, zeker een bovenfractie >40mm indien dergelijke biomassa een eerder gereduceerd asgehalte moet bevatten.

WP3: c. Kwaliteit zwarte biomassa batch 1 (opzet lente, uitgezeefd in aug-sept)

  • ·       Ook hier is géén duidelijke relatie tussen de specifieke maaswijdte gehanteerd bij het finale afzeven enerzijds en de DS of OS (op vers) anderzijds.
  • ·       Asgehalte (vers) van de zwarte biomassa ligt tussen 2,7% en 13,6 % met een gemiddelde van 5,7% hetgeen vrij laag is (zie ook hoger: evaluatie biomassahandelaar). De zwarte biomassa van batch 1 geeft voornamelijk beduidend hogere asgehalten bij alle fracties ‘>10mm’. Dit is een indicatie dat in de zomer (opzet lente) een hogere maaswijdte (>20 of zelfs >40mm) of tussenfractie (bvb 20-80mm, 40-80mm, 40-100mm,..) aangewezen is om de as zoveel mogelijks uit de biomassa te houden.
  • ·       Daar waar bij witte biomassa (batchperiode 1) het % onzuiverheden (>2mm; in tonnage) slechts in 2 stalen (met grotere fractiegrootte) hoger lag dan 1%, zien we bij de zwarte biomassa afkomstig van groencompostering van batchperiode 1 dat er 4 op de 9 stalen een % hoger dan 1 hebben. Hierbij lijken eerder de fracties groter dan 40 mm of tussenfracties tot 80 of 100mm hogere % onzuiverheden te bevatten. In dit geval lijkt het dus belangrijk windziften aan te bevelen om onder de grens van 1% onzuiverheden (niet inert, niet houtachtig materiaal) uit te komen cfr regel gehanteerd door OVAM.
  • ·       De vergelijking van de zeefoverlopen zwarte biomassa (>40mm) vanuit gft-compostering bevestigt overigens o.a. dat windziften naar alle waarschijnlijkheid een aanzienlijke invloed heeft op het % onzuiverheden: dit daalt van 5,3% bij het eerste staal (zonder windziften) naar 0,9% bij het tweede staal (met windziften). Daarnaast moeten we echter concluderen dat overloop (>40mm) uit een gft-compostering minder geschikt lijkt als biomassa voor verbranding met onder meer beduidend lagere DS, OS en calorische waarden en hogere chloor- en zwavel-gehalten.
  • ·       Chloor en zwavel-gehalten bij de zwarte biomassa (batch 1) zijn duidelijk lager bij hogere fractiegroottes (>40mm).
  • ·       Calorische (onder)waarde /stookwaarde (vers): tss 8,5 en 13 (gemiddeld: 9,8) MJ/kg vers voor zwarte biomassa uit groencompostering. Rond de 6 MJ/kg vers bij zwarte biomassa uit gft-compostering.

WP3: d. Kwaliteit zwarte biomassa t.o.v. witte biomassa - batch 1 (opzet lente)

Als we beide biomassa’s – zwart (afgezeefd in zomer na compostering van de referentiebatch) en wit (afgezeefd in lente vóór compostering van de experimentele batch) – vergelijken op basis van gemiddelde waarden krijgen we voor de zwarte biomassa:

  • ·       VS: vergelijkbaar (zwarte BM gemiddeld iets vochtiger: 37,1% tov 33,3% witte BM)
  • ·       OS (op vers): vergelijkbaar (beiden 58%)
  • ·       OS (op ADS) significant hoger bij zwarte BM (92,6% ipv 85,6%)
  • ·       as (op vers) significant lager bij zwarte BM (4,8% ipv 8,6%) !
  • ·       as (op ADS) significant lager bij zwarte BM (7,4% ipv 13,5%) !
  • ·       Cl en S-gehalten significant lager bij zwarte BM !
  • ·       Gehalte onzuiverheden: 2 x >1% (wit; één uitschieter van 13,5%) vs 4 x >1% (zwart)
  • ·       MJ/Kg: vergelijkbaar in termen van Mj/kg vers (gemiddelde stookwaarde zwarte biomassa 9,8 Mj/kg en witte biomassa 9,2 Mj/kg) en significant hoger in termen van Mk/kg ADS.

Voorlopige conclusies biomassa

  • ·       Witte biomassa uitzeven uit verhakseld opgezet groenafval lijkt in lente (april) in termen van OS en DS (op vers) beter dan witte biomassa uitzeven in de zomer (aug-sept) wanneer overigens doorgaans relatief meer zacht materiaal in de groenafval-input zit. Zeker een bovenfractie >40mm heeft in dat geval de beste kaarten op vlak van reductie van het asgehalte.
  • ·       Binnen het zelfde ‘seizoen’ is er geen duidelijke relatie tussen fractiegrootte en DS, OS en calorische waarde, noch bij witte biomassa noch bij zwarte biomassa.
  • ·       Daarentegen gaan fracties zwarte biomassa >40mm of tss 20 à 40mm en 100mm uit batch 1 gepaard met een groter aandeel onzuiverheden. Anderzijds zijn de hogere fractiegroottes (>20mm en >40mm) minder geplaagd door een hoge %asrest en hoge Cl & S-gehalte. Qua zwarte biomassa afkomstig uit een batch opgezet in de lente adviseren we m.a.w. voor afzeven vanaf een maaswijdte ‘>20mm’ en eventueel een tussenfractie dus tot 80 of 100mm. NB: Een tussenfractie heeft namelijk het voordeel van een hogere densiteit dan een pure bovenfractie hetgeen als biomassa een betere transportkost/ton betekent, daar waar sommige biomassa-installaties overigens een vaste bovenmaat hanteren en biomassa weigeren of penaliseren indien hieraan niet voldaan is. Een ander voordeel van een tussenfractie bij afzeven van zwarte biomassa in zomer (opzet lente) is dat iets meer structuurmateriaal (de bovenfractie) overblijft om de mogelijks te lage hoeveelheid houtig materiaal in de groenafval-input in de zomer te compenseren.
  • ·       Het verlagen van het gehalte onzuiverheden in de zwarte biomassa van de lente-batch lijkt in ongeveer de helft van de gevallen een vereiste hetgeen met windziften kan bereikt worden. Afgaand op overige eigenschappen van zwarte biomassa (batch 1) t.o.v. de witte biomassa (batch 1) zou de zwarte biomassa dan even goed of beter moeten onthaald worden dan deze witte biomassa.

 

  • ·     Nota bene:
    • ·    a. ‘witte biomassa’ is in SYNECO gedefinieerd als biomassa uitgezeefd uit verhakseld groenafval (gemengd+maaisel+snoeihout+wortels+…). Het is mogelijk en plausibel dat een bepaalde substroom bvb snoeihout gemiddeld betere biomassa-eigenschappen zal hebben dan de tot nu toe in SYNECO geanalyseerde stalen witte en zwarte biomassa. Dit wordt met een staal in batchperiode 3 geverifieerd.
    • ·    b. bovenstaande observaties en conclusies gaan impliciet uit van gelijke groenafval-samenstelling en gelijke onderhevigheid aan neerslag voor de verschillende composteerders-stalen. In verdere observaties zal ook hiernaar gekeken worden. Toch mag al duidelijk zijn dat bvb neerslag een cruciale factor is voor o.a. de kwaliteit van biomassa. Mogelijkheden tot overdekken en drogen, zijn zonder twijfel een meerwaarde. Het idee van biomassaverzamelplaatsen (cfr studie INVERDE) of loodsen zal zeker nog ter sprake komen.
    • ·    c. een eerste controle van analyseresultaten van witte biomassa tot nu toe t.o.v. de initiële input gras, maaisel en bladeren in het uitgangsmateriaal (o.b.v massabalans en sorteeranalyse) leert dat er geen klare relatie bestaat tussen aandeel gras en maaisel in input enerzijds en de kwaliteit van de witte biomassa anderzijds. Het is dus niet zo dat een zeer laag aandeel gras, maaisel en bladeren per definitie aanleiding geeft tot de beste witte biomassa.

WP4: beslissingstool (aftoetsing conceptueel model & 1ste testing)

De needs-analyse is afgerond en het op basis hiervan ontwikkelde conceptueel model dient hoogstens in enkele iteraties nog bijgestuurd. De volgende stap namelijk de ontwikkeling van de tool (prototype) door ILVO is lopende. Bij 3 composteerders werd o.b.v. een eerste voorafinvulling getoetst welke data makkelijk kan verschaft worden en waar mogelijks met forfaitaire waarden moet gewerkt worden. Eerste resultaten zullen teruggekoppeld worden met deze drie composteerders. In april volgt een workshop waarop alle SYNECO-participanten worden uitgenodigd om de tool en zijn resultaten voor te stellen.

Share this on

Comment_add Reageer